IRanges construeren
In de video zag je enkele voorbeelden van de IRanges-constructor. Nu ga jij oefenen met het maken van sequentie-intervallen met verschillende argumenten en kijken hoe deze argumenten worden hergebruikt of aangevuld.
Met de functie IRanges() kun je parameters opgeven zoals start, end of width. Deze invoerparameters vallen in een van twee categorieën:
start,endenwidthzijn numerieke vectoren.- De parameter
startis een logische vector.
Ontbrekende argumenten worden aangevuld met de vergelijking width = end - start + 1.
De IRanges()-constructor geeft aan dat alle parameters optioneel zijn met standaardwaarde NULL:
IRanges(start = NULL, end = NULL, width = NULL, names = NULL)
Deze oefening maakt deel uit van de cursus
Introductie tot Bioconductor in R
Oefeninstructies
Construeer drie IRanges-objecten met de volgende argumenten:
IRnum1: Eenstartgelijk aan een vector met de waarden 1 tot en met 5 enendgelijk aan 100.IRnum2: Eenendgelijk aan 100 enwidthgelijk aan zowel 89 als 10.IRlog1:startgelijk aanRle(c(F, T, T, T, F, T, T, T)).- Print de objecten en bekijk de resultaten!
Praktische interactieve oefening
Probeer deze oefening eens door deze voorbeeldcode in te vullen.
# Load IRanges package
library(___)
# IRnum1: start - vector 1 through 5, end - 100
IRnum1 <- ___
# IRnum2: end - 100, width - 89 and 10
IRnum2 <- ___
# IRlog1: start = Rle(c(F, T, T, T, F, T, T, T)))
IRlog1 <- IRanges(___ = Rle(___))
# Print objects in a list
print(list(IRnum1 = IRnum1, IRnum2 = IRnum2, IRlog1 = IRlog1))