Kans dat één van de variabelen kleiner dan of gelijk aan 4 is
Stel, X is een willekeurige Binom(10, .6)-variabele (10 keer een munt opgooien met 60% kans op kop) en Y is een willekeurige Binom(10, .7)-variabele (10 keer een munt opgooien met 70% kans op kop), en ze zijn onafhankelijk.
Wat is de kans dat minstens één van de variabelen kleiner dan of gelijk aan 4 is?
Deze oefening maakt deel uit van de cursus
Basis van kansrekening in R
Oefeninstructies
- Simuleer 100.000 trekkingen uit elk van de binomiale variabelen X (10 munten, 60% kans op kop) en Y (10 munten, 70% kans op kop), en sla ze respectievelijk op als
XenY. - Gebruik deze simulaties om de kans te schatten dat X of Y kleiner dan of gelijk aan 4 is.
- Gebruik de functie
pbinom()om de exacte kans te berekenen dat X kleiner dan of gelijk aan 4 is, en vervolgens de kans dat Y kleiner dan of gelijk aan 4 is. - Combineer deze twee exacte kansen om de exacte kans te berekenen dat minstens één van de variabelen kleiner dan of gelijk aan 4 is.
Praktische interactieve oefening
Probeer deze oefening eens door deze voorbeeldcode in te vullen.
# Use rbinom to simulate 100,000 draws from each of X and Y
X <-
Y <-
# Estimate the probability either X or Y is <= to 4
# Use pbinom to calculate the probabilities separately
prob_X_less <-
prob_Y_less <-
# Combine these to calculate the exact probability either <= 4