Financiële rendementen (1)
Tijd om het toe te passen! Eerder leerde Lore je over financiële rendementen. Nu is het tijd om die kennis te gebruiken! Maar eerst even kort herhalen.
Stel, je hebt $100. In januari behaal je daarop 5% rendement. Hoeveel heb je aan het einde van januari? Je hebt 100% van je startbedrag plus nog eens 5%: 100% + 5% = 105%. In decimalen is dat 1 + .05 = 1.05. Deze 1,05 is de rendementsfactor voor januari, en je vermenigvuldigt je oorspronkelijke $100 ermee om te krijgen hoeveel je aan het eind van januari hebt.
105 = 100 * 1.05
Of in termen van variabelen:
post_jan_cash <- starting_cash * jan_mult
Een snelle manier om de factor te krijgen is:
multiplier = 1 + (return / 100)
Deze oefening maakt deel uit van de cursus
Introductie tot R voor Financiën
Oefeninstructies
- Je nieuwe startkapitaal, het rendement van januari en de rendementsfactor voor januari zijn al voor je gedefinieerd.
- Gebruik ze om
post_jan_cashte berekenen. - Print
post_jan_cash. - Wat als het rendement voor januari 10% was? Bereken de nieuwe
jan_mult_10. - Bereken
post_jan_cash_10met de nieuwe factor! - Print
post_jan_cash_10om het effect van verschillende rentepercentages te zien!
Praktische interactieve oefening
Probeer deze oefening eens door deze voorbeeldcode in te vullen.
# Variables for starting_cash and 5% return during January
starting_cash <- 200
jan_ret <- 5
jan_mult <- 1 + (jan_ret / 100)
# How much money do you have at the end of January?
post_jan_cash <-
# Print post_jan_cash
# January 10% return multiplier
jan_ret_10 <- 10
jan_mult_10 <-
# How much money do you have at the end of January now?
post_jan_cash_10 <-
# Print post_jan_cash_10