Letters van de genetische code
De basiselementen van RNA zijn vier moleculen, elk weergegeven met één letter: adenine (A), cytosine (C), guanine (G) en uracil (U). De informatie in een RNA-streng kun je voorstellen als een lange reeks van deze vier letters. Om deze code te lezen, deel je de keten op in reeksen van drie letters (bijv. GCU, ACG, …). Deze reeksen van drie letters heten codons. Het concept wordt geïllustreerd in de afbeelding hieronder.

Je doel in deze oefening is om een data frame te maken met alle mogelijke reeksen van drie letters (codons) op basis van een vector met de vier letters die de bouwstenen van RNA voorstellen.
Deze oefening maakt deel uit van de cursus
Data herstructureren met tidyr
Praktische interactieve oefening
Probeer deze oefening eens door deze voorbeeldcode in te vullen.
letters <- c("A", "C", "G", "U")
# Create a tibble with all possible 3 way combinations
codon_df <- ___
codon_df