Je werkte al met objecten
In de cursus Introduction to R maakte je al kennis met veelvoorkomende R-objecten zoals numeric-, logical- en character-vectoren, en met data.frames. Een van de principes van OOP is dat functies zich anders kunnen gedragen voor verschillende soorten objecten.
De functie summary() (docs) is daar een goed voorbeeld van. Omdat verschillende typen variabelen op verschillende manieren moeten worden samengevat, verschilt de uitvoer die je te zien krijgt afhankelijk van wat je erin stopt.
Deze oefening maakt deel uit van de cursus
Objectgeoriënteerd programmeren met S3 en R6 in R
Oefeninstructies
- Voer de code uit die in de editor staat om meerdere objecten van verschillende types te maken.
- Roep
summary()aan op elk van deze objecten (één voor één), bekijk daarna de uitvoer en probeer die te begrijpen.
Praktische interactieve oefening
Probeer deze oefening eens door deze voorbeeldcode in te vullen.
# Create these variables
a_numeric_vector <- rlnorm(50)
a_factor <- factor(
sample(c(LETTERS[1:5], NA), 50, replace = TRUE)
)
a_data_frame <- data.frame(
n = a_numeric_vector,
f = a_factor
)
a_linear_model <- lm(dist ~ speed, cars)
# Call summary() on the numeric vector
summary(a_numeric_vector)
# Do the same for the other three objects
___
___
___