Rekenen in j (II)
In de vorige oefening voerde je berekeningen uit in j die slechts één waarde opleverden, een vector van lengte één. Vaak voer je echter berekeningen uit die meer dan één waarde teruggeven. Het goede nieuws: de syntaxis blijft hetzelfde!
In deze oefening gebruik je de functie difftime() om het verschil in minuten tussen de ritten te berekenen. difftime() heeft twee verplichte argumenten, time1 en time2, om het verschil te berekenen (time1 - time2). Om het verschil in minuten te krijgen, zet je het argument units op "min":
date1 <- "2018-12-20 11:30:00 EST"
date2 <- "2018-12-20 11:20:00 EST"
difftime(date1, date2, units = "min")
Time difference of 10 mins
Deze oefening maakt deel uit van de cursus
Gegevens manipuleren met data.table in R
Oefeninstructies
Bereken het verschil in minuten tussen end_date en start_date.
Praktische interactieve oefening
Probeer deze oefening eens door deze voorbeeldcode in te vullen.
# Compute duration of all trips
trip_duration <- batrips[, difftime(___)]
head(trip_duration)